Het Zutphens Zonnestelsel

Het Zutphens Zonnestelsel

De verovering van Mercurius (3)

PlanetenPosted by HansSchipper Sun, August 05, 2018 06:38:05

Onze westerburen, de Britten, kennen de luxe van een regelmatig, door de BBC uitgezonden, astronomieprogramma: The Sky At Night. Meer dan vijfenvijftig jaar lang werd dit programma gepresenteerd door de unieke, helaas verscheiden, Sir Patrick Moore. Naast sterren observeren en een t.v. programma presenteren deed Sir Patrick Moore ook aan schrijven. In 2006 deed hij het boek “Moore on Mercury” het licht zien. Ook al was hij een verwoed waarnemer, hij gaf in dit boek toe in zijn hele leven slechts een keer of twaalf Mercurius te hebben mogen aanschouwen!


Over gebrekkige zichtbaarheid gesproken: het programma werd (en wordt) eens per maand uitgezonden, duurde slecht twintig minuten en begon dan ook nog eens pas rond middernacht …

Iets te weten komen over Mercurius is voor mij vooral een kwestie van lezen. Voor de nieuwste ontwikkelingen kan ik het best terecht op de website van de NASA. Voor klassieke kennis richt ik mij op een Frans boek uit 1948, Astronomie.


Op bladzijde 182 stelt de schrijver: in vergelijking met de Aarde is Mercurius een wereld van zeer weinig belang. Dat heeft hij niet uit eigen waarneming, want: het observeren van de Planeet is zo moeilijk, dat we weinig weten over de oppervlakte en we de fysieke eigenschappen niet precies kennen.

De beste manier om iets van Mercurius te weten te komen is op dat moment (rond 1950) nog steeds door observatie met een telescoop en daar zit nou net de crux. Wil je naar Mars kijken dan richt je de telescoop ’s nachts schuin omhoog, maar Mercurius is ’s nachts nooitte zien, omdat hij samen met de Zon ondergaat. Overdag dan? Nee hoor, veel te licht!

Áls Mercurius zich laat zien is dat óf ’s ochtends voor zonsopkomst, ‘of ’s avonds na zonsondergang. Maar meestal komt de kleine planeet gewoon helemaal niet tevoorschijn, bijvoorbeeld omdat hij zich achter de Zon verschuilt.

Graag wil ik aan de hand van het Astronomieboek uit 1948 vertellen hoe in de loop der eeuwen toch sporadische kennis over Mercurius is opgebouwd.

Bij de observaties van iedere planeet met de telescoop viel het astronomen op dat de schijnbare diameter varieerde. Hieruit ontstond het vermoeden dat ze niet altijd even dicht bij ons staan. Als Mercurius verder weg staat blijkt een groter gedeelte te worden verlicht. Als Mercurius dichterbij komt wordt een steeds kleiner gedeelte verlicht totdat we de planeet niet meer zien. Na enige tijd ontstaat er weer een “maansikkeltje” waarna van de planeet steeds meer wordt verlicht. Astronomen die dit patroon periode na periode, jaar in jaar uit volgden moesten wel concluderen dat Mercurius rond de Zon draaide. Hoe ging dit in zijn werk?


Het zicht op Mercurius net als op de andere planeten staat onder invloed van voortdurend veranderende omstandigheden. We moeten rekening houden met de immer wijzigende afstand van Mercurius tot de Aarde. Daarnaast is de relatieve snelheid van Mercurius t.o.v. van de Aarde niet constant, zelfs als we ervan uitgaan dat beide planeten in een constante snelheid hun baan rond de Zon draaien. De positie van Mercurius en Aarde t.o.v. elkaar en t.o.v. de Zon is geen dag hetzelfde. Wil je dus uitspraken doen over de baansnelheid van Mercurius of de positie, dan zal je in je uiterst secure waarnemingen steeds met dit alles rekening moeten houden.

Het eerste dat de oude astronomen aan de planeet ontdekken is dat ze een schijnbare diameter hebben die afwisselend toeneemt en afneemt. Deze diameter bereikt noodzakelijkerwijs zijn maximum wanneer een planeet en de aarde elkaar passeren, in hun respectievelijke banen, op de punten met de kleinste afstand tussen deze twee banen. Voor de grootste afstand die kan worden ingenomen wanneer de Aarde en een planeet tegengesteld aan beide kanten in hun banen komen te staan geldt dat de schijnbare diameter het kleinst is. Deze verschillen tussen de extreme situaties zijn verhoudingsgewijs gevoeliger voor banen die veel lijken op de onze, dan voor andere die ver weg zijn. We zien dus dat bij de banen van Mercurius, Venus en Mars de schijnbare diameter zeer sterk aan verandering onderhevig is.

Deze verschillen zijn niet de enige feiten die we bij de waarneming kunnen waarnemen. De Zon verlicht alleen de helft van Mercurius die naar de Zon toe gekeerd staat. Vanuit de Aarde zien we die helft in perspectief en dus daar weer de helft van, waardoor we dezelfde fasen ervaren als die van de Maan.