Het Zutphens Zonnestelsel

Het Zutphens Zonnestelsel

De verovering van Mercurius (2)

PlanetenPosted by HansSchipper Tue, July 17, 2018 20:23:35

Van god naar wetenschap

Deze posts heten “De verovering van Mercurius” en daarin wil ik de groei van de kennis over de planeet Mercurius beschrijven door de eeuwen heen. In de loop van de geschiedenis ontstaat, naast de religieuze interpretatie, de wetenschappelijke belangstelling voor Mercurius. Het feit dat een aantal sterren, waaronder Mercurius, zich ieder op hun eigen manier langs de hemelbol bewegen was reden om ze te betitelen als Planeet. Planeet betekent zwerver. In Nederland wordt ook wel de term dwaalster gebruikt.

Tot de komst van de telescoop kunnen astronomen niet veel meer dan de aanwezigheid Van Mercurius aan de ochtend- of avondhemel registreren en de regelmatigheid ervan aantonen.

Tycho Brahe

De belangrijkste astronoom uit het tijdperk van voor de telescoop was de Deen Tycho Brahé. Van de Deense koning mocht hij een heel eiland inrichten met zijn observatie-instrumenten. Hij was van adel en zoals de grote Johan Cruijff al zei “Ieder voordeel heb zijn nadelen”. Het voordeel van edelman zijn was natuurlijk het relatief luxe leventje dat je kon leiden, maar er hoorden wel een aantal verplichte opvattingen bij zoals het duelleren om redenen van eer. In zo’n duel werd de neus van Tycho flink geraakt en dat kun je toch echt wel een nadeel noemen, zeg nou zelf. Plastische chirurgie ho maar in die tijd en Tycho moest door het leven met een namaakneus over de sneue restanten heen van wat ooit een welgevormde adellijke snuffer was. Een goede neus voor Astronomie had hij wel zijn leven lang en eigenlijk zijn alle observaties die in zijn tijd niet door hem werden onderschreven niet de moeite waarde. Zijn wetenschappelijke inzichten bleven helaas steken: hij was en bleef overtuigd van het geocentrisch wereldbeeld. Daar had hij weer niet zo’n goede neus voor.

Hans Lipperhey

Zo rond 1600 is men nog steeds druk met meten aan wat men met het blote oog ziet en ooit ben je daar natuurlijk een keer klaar mee. Hij wachten was op een doorbraak zodat de astronomen beter zouden kunnen gaan zien. Die doorbraak kwam in 1608 met de uitvinding van de telscoop door de Middelburger Hans Lipperhey. Hans realiseerde zich niet wat een geweldige wetenschappelijke uitvinding hij had gedaan, toen hij voor het eerst naar het topje van kerktoren Jange Lan keek door twee achter elkaar geplaatste lenzen. Hij begreep wel dat het een nuttig spionage-instrument zou kunnen zijn in de oorlogsvoering. Daarom ging hij ermee naar de Hollandse krijgsheer Prins Maurits die zijn leven lang druk was met het uit het land kicken van Spaanse troepen. Maurits was ervan onder de indruk en Hans diende een octrooi aanvraag in bij de Generale Staten. Allerlei boeven begonnen ook octrooiaanvragen in te dienen en Hans werd zijn felbegeerde octrooi niet verleend omdat er onduidelijk ontstond over wie de eerste echte uitvinder van de kijker was. Er stond hem niets anders te doen dan zijn beroep van brillenmaker maar weer op te pikken. Ik heb in Middelburg gezocht naar de straat die naar hem vernoemd was en daar was ik ook al niet van onder de indruk. Het straatnaambord vermeldt ook niet meer (2017) dan dat hij lenzenslijper was. Dat hij zonder het in de gaten te hebben de grootste wetenschappelijke revolutie aller tijden veroorzaakte, daar zijn veel Middelburgers zich tot op de dag van vandaag nog niet van bewust.


Wie zich daar wel van bewust was, was de grote natuurkundige Galileo Galilei. Die kocht een jaar later al op een markt in Italië een kijker. Waarschijnlijk is de kijker daar zo snel terecht gekomen vanwege de Italiaanse connecties van Middelburg. Er woonden Italiaanse glasblazers in Middelburg en die zullen in hun terugreis naar het homeland wellicht een telescoop hebben meegenomen. Hoe het ook zij, Galileo richtte zijn telescoop niet op de vijand, want die waren wat hem betreft altijd dichtbij, maar hij keek ermee omhoog en verruimde de bestudering van de sterrenhemel daarmee voor eeuwen. Vele stargazers na hem hebben, al starende omhoog, de meest fantastische natuurkunde bedacht.

Na de uitvinding van de telescoop ziet men iets meer van Mercurius, onder andere de overgang over de Zon. De grootste zorgvuldigheid is bij het waarnemen aan Mercurius m.b.v. de telescoop geboden, vanwege de felle straling van de Zon. Wie met een telescoop naar de Zon kijkt, verliest het oog waarmee gekeken wordt. Een wrang grapje dat in verband hiermee gemaakt wordt is: Door een telescoop naar de zon kijken kun je precies twee keer doen. Een keer met het ene oog en dan nog een keer met het andere oog.

Wie het dichtst bij het vuur zit, verwarmt zich het meest. Dit gezegde geldt zeker voor de kleinste planeet in ons zonnestelsel. Op een afstand van zo’n zestig miljoen kilometer van de Zon volgt de ijzeren planeet in de verzengende hitte zijn ellipsvormige baan. Zestig miljoen, dat is twee vijfde van de afstand die onze Aarde aan houdt. De van de Zon ontvangen straling is op Mercurius zeker zes keer zo sterk als bij ons en dat heeft overdag temperaturen van wel 400 graden Celsius tot gevolg.

Geen omgeving om het lang uit te houden, zelfs niet door bijvoorbeeld een stoere NASA-astronaut. Onderzoek aan Mercurius vindt tegenwoordig dan ook door robots plaats, maar dat gebeurt pas sinds 1973. Voor die tijd past de kennis over Mercurius op een tiental bladzijden in een Astronomie boek.



Op de school waar ik werk, vind ik jaren geleden een Frans boek, getiteld “Astronomie”, in de jaren 50 uitgegeven door Larousse. (Lucien Rudaux en Gérard de Vaucouleurs (1947) Astronomie - Les Astres, L’Univers, Paris, Larousse)

Het is een prachtboek, waarin “state-of-the-art” kennis uit die tijd is verwerkt. Ik kan me nog herinneren dat ik er toen enigszins bedremmeld mee in handen heb gestaan, nadat ik het uit een meters hoge stapel oud papier heb getrokken die gereedligt om de container in te verdwijnen. Ik vind het zo onbegrijpelijk dat een dergelijk pronkjuweel gedoemd is de versnipperaar in te gaan, dat ik voor de zekerheid toch nog maar even naar de conciërge ben gelopen om mij ervan te vergewissen dat ik geen diefstal pleeg als ik het bij mij thuis een tweede leven gun.

“Neem maar mee, Hans,” lacht de conciërge, “dat scheelt ons weer twee kilo sjouwwerk.”

Op de eerste, verder lege, bladzijde staat “Dit boek wordt niet uitgeleend” en dat ben ik dan ook niet van plan te gaan doen, nu het veilig en wel in mijn privécollectie staat.

Ik ken eigenlijk geen Nederlands Astronomie boek uit die tijd dat zo uitgebreid en diepgaand de wetenschap van het zonnestelsel behandeld. De wetenschap over Mercurius beslaat evenwel slechts enkele bladzijden.